mercredi 20 mai 2009

Brussel kiest thema's: Onderwijs

Eén op vijf kinderen in het gewest gaat naar een Nederlandstalige school. © Beeld uit reportage tvbrussel

Brussel - Het Nederlandstalig onderwijs moet dringend vraag en aanbod in evenwicht zien te krijgen.

Tegelijkertijd dienen zich meer controversiële kwesties aan, bijvoorbeeld de vraag of de scholen in een veeltalige en multiculturele context moeten blijven uitgaan van één taal, het Nederlands, en één cultuur, de Vlaamse.

Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel heeft bewogen jaren achter de rug. De sluiting van het Heilig-Hartcollege in Ganshoren, begin 2007, deed een heftig debat oplaaien over de toestand van het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad. De school moest namelijk dicht omdat de directie de strijd met de vele ongemotiveerde en belabberd Nederlands sprekende leerlingen niet langer wilde aangaan.

Toen de Vlaams-Brusselse scholen enkele weken later in een inspectierapport ook al geen beste beurt maakten, zette Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A), in overleg met zijn Brusselse collega Guy Vanhengel (Open VLD), een rondetafelconferentie op het getouw. Die resulteerde in een batterij voornemens, waarvan de meeste inmiddels omgezet zijn in concrete maatregelen.

Vanaf september 2010 moeten kinderen minstens een jaar Nederlandstalig kleuteronderwijs gevolgd hebben voor ze ingeschreven kunnen worden in het eerste leerjaar van een Vlaamse school. Ook wordt er dan een engagement van de ouders gevraagd: regelmatig naar de oudercontacten komen, ervoor zorgen dat hun kinderen niet spijbelen, en hun kinderen zoveel mogelijk Nederlands doen spreken.

Vorige week keurde de Vlaamse regering de nieuwe Brusselpremie goed, duizend euro bruto per jaar voor leerkrachten die al drie jaar in Brussel lesgeven. Over de kwestie moet wel nog onderhandeld worden met de vakbonden, die voorlopig weigerachtig staan. Met de premie wil Vandenbroucke het grote verloop van leraren tegengaan. De meeste leerkrachten wonen buiten Brussel en keren de stad de rug toe zodra ze dichter bij huis werk vinden. Drie op de vijf houden het niet langer dan vijf jaar uit in de hoofdstad.

Vandenbroucke liet ook de verplichting schrappen om extra Frans in de Brusselse lagere scholen te geven. Daardoor kunnen de scholen de Franstalige leerlingen in de vrijgekomen uren meer Nederlands geven. Vanhengel regelde van zijn kant de fusie van Taalvaart, Schoolopbouw, Nascholing en andere onderwijsondersteunende vzw's. Omdat de scholen tussen de bomen het bos niet meer zagen, werd één Onderwijscentrum Brussel opgericht, onder de hoede van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC).

WACHTRIJEN
Intussen werd het capaciteitsprobleem van de Vlaams-Brusselse scholen almaar nijpender. Het Nederlandstalig onderwijs kent steeds meer succes bij Frans- en anderstaligen. Zij beseffen dat het Nederlands een troef is op de steeds veeleisender arbeidsmarkt. Bovendien geniet het Nederlandstalig onderwijs bij vele Brusselaars een betere reputatie dan het Franstalig, dat een stuk minder goed scoort in het Europese Pisa-onderzoek. Dat komt onder meer omdat de Franstalige scholen met grotere klassen en beduidend minder middelen moeten werken (23 procent minder voor het lager onderwijs en achttien procent minder voor het secundair).

De grote toevloed van Frans- en anderstaligen leidde dan weer tot ongerustheid bij veel Vlaamse ouders, die begonnen te vrezen dat het onderwijsniveau zou dalen. Dat was het begin van de wachtrijen aan de 'witte' scholen bij elke inschrijving.

Die wachtrijen zijn almaar langer geworden, en ook bij sommige minder witte scholen is het tegenwoordig aanschuiven geblazen. Om verlost te raken van de kampeertoestanden, liet Vandenbroucke experimenten met alternatieve inschrijvingsmethodes toe. De secundaire scholen zijn het inmiddels eens geworden om vanaf volgend jaar te werken met een callcenter of een website. Ook de lagere scholen willen af van het huidige eerst-komt-eerst-maalt-principe en dus zijn er, naast de voorrangsregels voor broertjes en zusjes, kansarmen en Nederlandstaligen, bijkomende voorrangscriteria nodig. Zo zou de afstand tot de school een criterium kunnen worden, maar daarover zijn de scholen het nog niet eens.

In elk geval bieden de alternatieve inschrijvingsmethodes geen oplossing voor het onderliggende probleem: het tekort aan basisscholen, vooral in het centrum. Uit de recente studie van de VUB-socioloog Rudi Janssens blijkt dat er, rekening houdend met de demografische evolutie, de komende jaren alleen al in het Nederlandstalig onderwijs drieduizend plaatsen zullen moeten bijkomen, door uitbreiding van bestaande scholen of door de oprichting van nieuwe scholen. Alleen op die manier kan de Vlaamse gemeenschap haar 'marktaandeel' van bijna twintig procent in het Brussels onderwijs behouden. En dat wil minister Vanhengel graag. Het geld voor de uitbreiding van het scholennet zal op de een of andere manier uit Vlaanderen moeten komen. De nieuwe Vlaamse regering zal hiervoor een oplossing moeten bedenken.

Uit de studie van Janssens kwam ook naar voren dat niet alle scholen graag uitbreiden. De extra plaatsen zullen namelijk vooral ingenomen worden door anderstaligen, oftewel leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Sommige directies vrezen dat, aangezien het aantal Vlamingen in Brussel nog altijd daalt, er per school te weinig Nederlandstaligen overblijven en dat het nog moeilijker zal worden om leerkrachten te vinden.

OP PEIL
Meer nog dan in het basisonderwijs bestaat ook in het Nederlandstalig middelbaar onderwijs, dat in hoofdzaak ASO (algemeen secundair onderwijs) aanbiedt, de neiging om zich af te schermen van een toevloed aan anderstalige leerlingen. Hoewel sommige scholen speciale inspanningen doen om de taalachterstand van niet-Nederlandstalige leerlingen weg te werken, stellen heel wat andere vrij hoge taaleisen aan nieuwe leerlingen, zodat anderstaligen afhaken. Op die manier proberen ze het niveau op peil te houden. In plaats van gebruik te maken van
de mogelijkheden die de multiculturele en veeltalige stadsomgeving biedt, mikken ze deels op Nederlandstaligen van buiten Brussel en leggen ze sterk de nadruk op het Vlaamse karakter van de school.

De Vlaamse overheid, die het Nederlandstalig onderwijs altijd gezien heeft als een middel om de macht van de Vlaamse gemeenschap in Brussel te bestendigen en uit te breiden, zal de komende jaren moeten nadenken over de missie van dat onderwijs. Moet de Vlaamse identiteit van de scholen, in naam van de kwaliteit, blijven vooropstaan, of dienen de scholen te 'verbrusselen', en uit te gaan van de cultuurmix en veeltaligheid van de stad?

Voor die laatste optie gaan de laatste tijd meer en meer stemmen op, zo bleek onlangs ook op de bijeenkomst van de Staten-Generaal van Brussel. Daar werd betreurd dat het Nederlands- en het Franstalig onderwijs in Brussel niet met elkaar spreken en dat er tussen de bevoegde overheden, de Vlaamse en Franse Gemeenschap, geen systematische samenwerking is. Het duurde bijvoorbeeld een eeuwigheid voor Vandenbroucke zijn Franstalige collega's in beweging kreeg om samen een sluitend systeem voor leerplichtcontrole op te zetten.

Op de Staten-Generaal werd ook een nieuwe oproep gedaan voor meertalig onderwijs in de hoofdstad. Een onderwijsorganisatie die uitgaat van een Franstalige en een Nederlandstalige bevolkingsgroep, beantwoordt niet langer aan de sociologische realiteit, klonk het. Het Franstalige onderwijs heeft inmiddels een aantal immersiescholen in Brussel; aan Vlaamse kant is meertalig onderwijs in de hoofdstad vooralsnog onbespreekbaar. Bij kansarmen zou het kunnen leiden tot zerotaligheid, is dan de vaste repliek van minister Vandenbroucke. Benieuwd of de ideeën van de Staten-Generaal de nieuwe regeringen kunnen bekoren.

COMMENTAIRE DE DIVERCITY
VINGT POUR CENT DE BRUXELLOIS CHOISISSENT L’ENSEIGNEMENT NÉERLANDOPHONE
Victime de son énorme succès, l’enseignement néerlandophone de Bruxelles, est à la croisée des chemins. Un long article paru dans Brussel deze Week s’interroge sur les nouvelles finalités que celui-ci devra inmanquablement envisager de se fixer.

Première question, faut-il que cet enseignement se réfère? comme il l’a fait traditionnellment à la langue et la culture flamande? Doit il au contraire s’adapter à la diversité des langues parlées par la majorité des élèves qui optent en sa faveur? L’enseignement flamand de Bruxelles fait face à de grosses turbulences. Rappelons que le Heilig-Hartcollege de Ganshoren a du fermer ses portes en 2007suite à une forte tension entre la direction et une majorité d’élèves complètement démotivés et s’exprimant dans un néerlandais épouvantable.

Suite à un rapport d’inspection très négatif, le ministre de l’éducation de la Vlaamse gemeenschap, Frank Vandenbroucke (SP.A) s’est réuni avec son collègue bruxellois Guy Vanhengel (Open VLD).

Il en résulta un catalogue de bonnes intentions rapidement mis en pratique . Ainsi, à partir de septembre 2O1O les élèves devront avoir fréquenté au moins une année dse jardin d’enfant en néerlandais pour être autorisés à être inscrits en première primaire. Les parents seront invités à s’impliquer davantage dans l’a scolarisation de leur enfant (présence obligatoire aux réunions parents-professeurs, surveillance des absences et du suivi scolaires et surtout nécessité d’encourager les enfants à progresser en néerlandais.

Il s’avère que la majorité des enseignants flamands ont horreur d’enseigner à Bruxelles en raison de l’hétérogénéité de l’origine des élèves et surtout de leur très médiocre connaissance du néerlandais. Ceci devrait justifier la prime de mille euro que la Vlaamse Gemeenschap octroie au grand dam des syndicats à tout profeseur après trois ans d’enseignement à Bruxelles. Ceci pour éviter les hémorragies de professeurs vers la Flandre profonde. Trois enseignants demandent leur mutation après de cinq ans passés à Bruxelles.

Le ministre Vandenbroucke vient de supprimer une directive rendant obligatoire l’enseignement du français en classes primaires néerlandophones à Bruxelles, vu que la plupart des élèves le parlent couramment.

Autre souci, les Flamands de Bruxelles ont de plus en plus tendance à déserter les écoles flamandes à cause de la faiblesse du niveau en néerlandais des élèves. Il en résulte des files et des bivouacs devant les bureaux d’inscription des écoles secondaires réputées “blanches”. Cela n’empêche pas l’enseignement néerlandophone d’avoir de plus en plus de succès auprès des familles francophones et allochtones. Ils y voient un atout majeur sur un marché de l’emploi qui de plus en plus exige une connaissance active du néerlandais. Cette évolution n’est pas étrangère non plus à la déterioration dramatique de la qualité de l’enseignement francophone bruxellois. Les classes y sont plus nombreuses et les écoles moins bien subventionnées. (près de 25 % de de différence). Ceci explique que les écoles néerlandophones sont, elles aussi, à la recherche d’un système d’inscription plus rationnel.

Le sociologue Rudi Janssens de la VUB, prévoit que l’enseignement néerlandophone de Bruxelles doive créer trois mille places supplémentaires en raison de l’évolution démographique bruxelloise.

Ceci implique la création de nouvelles écoles et l’engagement de professeurs supplémentaires. L’enseignement néerlandophone attire plus de 2O% des enfants bruxellois. Ceci sera l’un des défis du prochain gouvernement flamand. Tout indique que le nombre d’enfants flamands continuera à diminuer dans ces écoles rendant de plus en plus difficile l’engagement d’enseignants venus de Flandre.

D’aucuns envisagent de tirer un meilleur parti de l’environnement plurilingue et multiculturel bruxellois et de réduire le caractère strictement flamand du projet éducatif des écoles néerladophones.

Le gouvernement flamand qui avait choisi d’investir lourdement dans l’ enseignement à Bruxelles en vue d’y affirmer et d’y renforcer sa présence va devoir sérieusement repenser sa politique scolaire au vue de l’évolution sur le terrain. Ne devrait-on pas davantage “bruxelliser” les écoles en fonction du caractère de plus en plus cosmopolite et multiculture des élèves Bruxellois.

Cette thèse a été largement évoquée aux récents Etats Généraux de Bruxelles où on regretta publiquement un manque de collaboration entre la Communauté français et la Vlaamse Gemeenschap en matière d’enseignement. On y a plaidé également, et nous en avons fait largement écho, pour un enseignement plurilingue dans la capitale. Un enseignement qui soit sous la coupe des deux Communautés Flamande et Française ne répond plus selon les EG à la sociologie bruxeloise. D’autant que l’enseignement francophone s’est lancé dans des expériences d’immersion du néerlandais comme en Wallonie. Vandenbroucke est très peu favorable à une formule multilingue dont il craint qu’elle n’aboutisse à un degré zéro de la maîtrise linguistique de ses élèves. Il n’a peut-être pas tort. On se demande si le nouveau gouvernement flamand réagira autrement après les élections.

Ajoutons pour notre part que les Etats généraux ont également évoqué les avantages d’une régionalisation des matières d’enseignement qui permettrait à Bruxelles de construire un enseignement sur mesure. Se poserait alors la question cruciale du financement de cet enseignement régionalisé. Rappelons que l’enseignement est le levier le plus efficace pour renforcer la cohésion sociale, faire fonctionner l’ascenseur social et promouvoir le dialogue entre les cultures. C’est donc de toute évidence l’enjeu numéro un de ces élections régionales comme nous ne cessons de la rappeler.
MG

Schaarbeek opent Nederlandstalige gemeenteschool in 2010

Schaarbeek opent Nederlandstalige gemeenteschool in 2010 © Beeld uit reportage tvbrussel

Twintig jaar na de sluiting van de laatste Nederlandstalige gemeenteschool in Schaarbeek, is de gemeente van plan opnieuw Nederlandstalig onderwijs aan te bieden. Schepen Luc Denys (Groen!) heeft hierover een akkoord bereikt met het schepencollege. Dat vernam Brussel Deze Week.

Schaarbeek is een van de Brusselse gemeenten die alleen Franstalig gemeentelijk onderwijs aanbiedt. Het is tegelijk de gemeente waar de druk op het Nederlandstalig onderwijs het grootst is: tal van scholen hebben de afgelopen schooljaren leerlingen moeten weigeren.

De Vlaamse schepen Luc Denys (Groen!) vond de tijd rijp voor een Nederlandstalige basissschool in Schaarbeek. Dat lag niet voor de hand. De gemeente is in handen van FDF-burgemeester Bernard Clerfayt. Dertig jaar geleden heeft toenmalig burgemeester Roger Nols er de laatste Nederlandstalige school gesloten.

Zopas heeft het college zijn goedkeuring gegeven aan de nota die een nieuwe Nederlandstalige gemeenteschool moet voorbereiden. Schepen Denys is erg opgetogen met de kentering. "Het is lang vechten geweest, maar eindelijk is de doorbraak een feit," zegt de Vlaamse schepen.

Over de locatie is nog geen zekerheid, maar het gemeentebestuur ziet wel wat in enkele leegstaande klaslokalen aan het Gaucheretplein. Het onderwijssecretariaat van de Vereniging voor Steden en Gemeenten heeft al een positief advies gegeven voor die inplanting.

Een tweede mogelijkheid is een leegstaande school van het vrij onderwijs in de Groenstraat.

Schepen van onderwijs Georges Verzin (LB) erkent dat de vraag naar een Nederlandstalige school erg groot was. "Niet alleen Nederlandstalige ouders, maar ook taalgemengde gezinnen, Franstaligen en anderstaligen zijn vragende partij."

Verzin wijst erop dat de nieuwe school tegelijk past in de demografische evolutie in de gemeente. "De bevolking groeit. Schaarbeek telt nu al 120 000 inwoners en dat cijfer zal tegen 2025 aangroeien tot 145 000."

COMMENTAIRE DE DIVERCITY
VERZIN VOIT LOIN
Intéressante initiative de la commune de Schaerbeek, Cité des Ecoles d’ouvrir une école flamande et de diversifier de la sorte l’offre communale d’enseignement. De toute évidence, cette école remportera un succès immédiat. Il serait contre productif de la reléguer rue verte. En revanche, il pourrait être intéressant de l’installer dans les locaux libérés par la haute Ecole Lucie de Brouckère. Schaerbeek, deuxième pouvoir organisateur de la région de Bruxelles capitale après Bruxelles ville a tout intérêt à diversifier son offre d’enseignement tant primaire que secondaire. Il faudrait envisager de créer un établissement de type Freinet 5/8 pour concurrencer Evere ; une école qui privilégie sport et étude, de même qu’un établissement préparant spécifiquement à l’enseignement exigeant de Blum, comme c’était autrefois le cas ; imaginer aussi une plus grande synergie avec les organisations culturelles turques et marocaines pour promouvoir un meilleur dialogue interculturel. Surtout renforcer les échanges avec les bibliothèques, créer des ateliers lecture et lancer une grande campagne en faveur de la lecture chez les jeunes. Différencier l’offre du lycée E. Max et de l’athénée F. Blum et mieux orienter les sections de Fischer par rapport aux besoins locaux. George Verzin voit loin. Il a compris, comme l’enseignement de la Vlaamse Gemeenschap, qu’il faudra créer de nouvelles écoles d’ici 2050. Il est intéressant d’observer que le grand militant FDF Bernard Clerfayt ait donné le feu vert à ce projet en pleine campagne électorale. Chapeau bas !
MG

Aucun commentaire: