dimanche 13 septembre 2009

De ene hoofddoek is de andere niet

Paul De Hert, jurist en voorzitter van de Onderzoeksgroep Fundamentele Rechten en Constitutionalisme aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB), stelt dat een algemeen verbod voor alle Gemeenschapsscholen onrechtvaardig is.
Hoofddoeken zijn compleet irrelevant in één context, maar veel minder onschuldig in een andere context. Iets vrolijks als een baard verwordt in een talibansamenleving al snel tot totalitair herkenningsmiddel
Het bekend worden van het fameuze advies van de auditeur bij de Raad van State was begin deze week groot nieuws. Kortweg luidt dat advies dat een school van het gemeenschapsonderwijs niet zelfstandig kan beslissen tot invoering van een hoofddoekenverbod binnen het huidig decretaal kader. Dat belooft voor de definitieve uitspraak van de Raad van State volgende week.

Maar betekent dat nu dat het overlaten van die beslissing aan de scholen zelf een zwaktebod is geweest van het management van het gemeenschapsonderwijs en de bevoegde minister? Het antwoord op die vraag is tweeërlei, en iets genuanceerder dan het antwoord van Radio 1. In de naam van de kritische journalistiek legden de betrokken journalisten van de ochtendprogramma's afgelopen woensdag alle betrokkenen op de rooster, met één constante in de toonvoering en de vraagstelling: wanneer gaan jullie nu eindelijk een eenvormige regeling invoeren over hoofddoeken?

Dat klinkt een beetje 'goed bestuur'-achtig, dus in Vlaanderen zeker toegelaten en garant voor verkiezingssucces. Het goed bestuur-argument heeft indruk gemaakt want gisteren raakte de beslissing bekend van de koepel van het gemeenschapsonderwijs om het dragen van levensbeschouwelijke kentekens in alle instellingen van het gemeenschapsonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap te verbieden.

Noch het algemeen verbod, noch de goed bestuur-ondertoon bij de journalisten kunnen me overtuigen. Opboksen tegen 'goed bestuur'-retoriek is echter niet gemakkelijk en vereist een geduldige reflectie. Laten we de lezer van De Morgen eerst uitleggen waarom we het argument van het goed bestuur tegen het uitblijven van een uniforme regeling wel kunnen volgen en pas dan uitleggen waarom we datzelfde argument niet neutraal, ja zelfs gevaarlijk vinden en geloven dat een uniforme regeling zeker niet wenselijk is.

Het begrip neutraliteit
Pro een algemene hoofddoekenregeling in het onderwijs: zonder uniforme regeling weten we niet waar we voor staan. Het overlaten van het beleid over hoofddoeken aan de scholen (en de rechter) heeft in België geen positieve resultaten opgeleverd. Enerzijds zien we een toename van het aantal expliciete hoofddoekenverboden, anderzijds komt er steeds meer protest.

Bovendien lijkt het laisser faire van de Belgische overheid ongepast omdat het over te moeilijke zaken gaat. Het hoofddoekendebat heeft betrekking op constitutionele kwesties zoals de verhouding tussen staat en religie, de religieuze vrijheid en de expressie van religieuze meningen in het openbaar. Daarom moet worden stilgestaan bij de invulling van de beginselen van de 'neutraliteit' van de staat en van de scheiding tussen kerk en staat. Eerder heb ik al in een opiniebijdrage gesteld dat een beginsel als 'neutraliteit' op meerdere manieren kan worden uitgelegd (DM 2/5/2007). Men mag er niet zo maar van uitgaan dat dit principe wordt geschonden door de zichtbaarheid van de hoofddoek. Er zijn andere invullingen mogelijk dan de (huidige) Franse interpretatie, volgens dewelke het neutraliteitsbeginsel vereist dat opzichtige godsdienstige verschillen worden weggewerkt uit het onderwijs, overheidsgebouwen en rechtszalen. Wij denken daarbij aan een interpretatie van de neutraliteit die een insluiting van de diversiteit betekent eerder dan haar ontkenning. Over de neutraliteit die we verkiezen moet worden gepraat op landelijk of gemeenschapsniveau. Het feit dat we dat niet gedaan hebben, blijkt vandaag een groot probleem te zijn voor de Raad van State in zijn rechtspraak over hoofddoeken.

Ten slotte pleit voor een algemene regeling het feit dat hoofddoeken beschermd worden door de mensenrechten. Het Europese mensenrechtenverdrag geeft aan alle personen in Europa de vrijheid in het openbaar zijn of haar godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften .

Precies onze vertrouwdheid met de mensenrechten maakt dat we op dit punt heel voorzichtig worden met goed klinkend geroep over de nood aan een uniforme regeling. Een samenleving met alleen maar rechten werkt niet en quasi alle vrijheden zijn daarom ook niet absoluut, dat geldt ook voor de vrijheid van meisjes en vrouwen om een hoofddoek te dragen. Mits een gedegen wettelijke basis kan zo'n vrijheid beperkt worden in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het standpunt van de auditeur van de Raad van State, met name dat de scholen in Antwerpen niet over een voldoende wettelijke basis beschikken, wil dus niét zeggen dat een hoofddoekverbod niet kan. Het verbeteren van die wettelijke basis om de bestaande situatie te behouden kan wellicht volstaan. Opnieuw: dat wil niet zeggen dat in Brussel beslist moet worden dat hoofddoeken wel of niet mogen. Het enige dat Brussel volgens ons moet doen is stellen dat hoofddoeken mogen verboden worden door een school als er een concrete verstoring van de orde is - met dien verstande dat uit respect voor de mensenrechten dit niet al te snel mag worden beslist.

De voorstanders van hoofddoeken moeten we bijgevolg teleurstellen. Een verbod kan perfect als er concrete aanwijzingen bestaan van een daadwerkelijke radicalisering en een toenemende sociale druk die de rechten van anderen en het goede verloop van de lessen en de openbare dienst verstoren. Hoofddoeken zijn compleet irrelevant in één context, maar zijn veel minder onschuldig in een andere context. Khaled Hosseini's roman De vliegeraar toont treffend aan hoe zoiets vrolijks als een baard (die van de sint of die van vader waar soep in blijft hangen), verwordt tot een soort totalitair herkenningsmiddel in een door de taliban gedomineerde samenleving. Dirk Verhofstadts complexe neerslag van interviews met moslimvrouwen (De derde feministische golf, 2006) bevestigt het dubbele karakter van hoofddoeken. Identiteitsbevestigend in het ene geval, zeer duidelijk bedreigend in het andere geval.

Geen absolute vrijheden
Ons rechtssysteem kan die complexiteit aan door te eisen dat een verbod op hoofddoeken alleen kan in functie van concrete omstandigheden. Er is geen reden om a priori en in algemene bewoordingen een absoluut verbod of een absolute vrijheid in te voeren. Een voorafgaandelijk en acontextueel verbod op hoofddoeken gaat voorbij aan de vrijheid van de moslimvrouwen. Een acontextuele hoofddoekvrijheid inschrijven in onze wetgeving gaat voorbij aan het gezond verstand dat schuilt in de gedachte dat onze vrijheden niet absoluut zijn. Er is geen behoefte aan een uniforme regeling van deze materie. Elke wens om een verbod in te voeren moet afzonderlijk bekeken worden. In sommige gevallen moet de hoofddoek af, in andere gevallen mag ze aan blijven.

Het bestuur van het gemeenschapsonderwijs loopt nu met zijn kersvers algemeen verbod het risico teruggefloten te worden door de Raad van State omdat dit algemeen verbod voorbij gaat aan de vereiste dat vrijheidsbeperkingen alleen kunnen op grond van concrete feiten. Het is goed denkbaar dat de Raad het verbod aanvaardt. Dat zou ons laten zitten met een gewetensprobleem omdat we geen ruimte geven aan hoofddoeken in onproblematische gevallen. Aan het bestuur van het gemeenschapsonderwijs dus de morele opdracht om het algemeen verbod in te trekken en de lokale verantwoordelijkheden te laten spelen op basis van een goede wetgeving. Aan de journalisten de suggestie om zich in complexe mensenrechtelijke vraagstukken te onthouden van goed bestuur-simplificaties. Het maatschappelijk debat vereist hogere standaarden.
(De Morgen)

Aucun commentaire: