samedi 31 octobre 2009

Maxime Brunfaut: De achilleshielen van een ambitieus architect

Het Paleis op de Heide, van Johan Wambacq
Brussel - Een lezer van deze krant vroeg zich vorige week nog per brief af waarom BDW aandacht had besteed aan de nominatie van het sanatorium/Instituut Joseph Lemaire in Tombeek, op de lijst van de honderd meest bedreigde sites ter wereld van het World Monuments Fund. Alsof er in Brussel niet genoeg bedreigde gebouwen zijn.

Gelezen: Johan Wambacq, Het paleis op de heide – Architect Maxime Brunfaut en het sanatorium van Tombeek, uitg. ASP/Amsab-ISG/CVAa, 175 blz., 25,50 euro.

Wat het adres van het sanatorium betreft, heeft die lezer wel een punt, maar voor het overige is ongeveer alles aan deze zaak Brussels: het Sint-Lukasarchief, dat het gebouw op die lijst had gekregen; de coö peratieve verzekering La Prévoyance Sociale van de Belgische Werkliedenpartij, de bouwheer van het sanatorium; en de architect Maxime Brunfaut (1909-2003), die in Brussel ook het Centraal Station afwerkte, en het Sabena-gebouw, het PS-hoofdkwartier, het Congresstation, het ACOD-gebouw, en een reeks metrosta tions getekend heeft. Bovendien heeft Johan Wambacq (de drijvende kracht achter het Kaaitheater en het tijdschrift Etcetera ), in zijn vrije tijd en in zijn hoedanigheid van architectuurliefhebber, net een boek uit over Brunfaut en het sanato rium. We volharden dus nog even.

Aangezien er nog geen monografie over Maxime Brunfaut bestond, moest Het paleis op de heide dringend geschreven worden. Deze eersteling zit meteen goed in elkaar, is mooi geïllustreerd en focust met het sanatorium op een mooie case binnen het oeuvre van Brunfaut (die dat gebouw zelfs zijn ‘enige kind’ noemde), die gerelateerd is aan nogal wat andere thema’s zoals het verval, de teloorgang of herbestemming van dergelijke iconische gebouwen van de socialistische beweging, de relatie tussen socialisme en modernisme, en de betekenis van architectuur voor de arbeidersklasse – in dit geval voor hun tuberculosepatiënten.

Wambacq maakt het boek erg leesbaar door de geschiedenis en de (gedetailleerde) architecturale analyse van het gebouw te kaderen in een reconstructie van het ‘journalistieke’ parcours dat hijzelf aflegde. Dat begon bij een revelerend bezoek aan het leegstaande sanatorium in 2000, resulteerde in een beleefde toenaderingspoging tot de architect (die toen nog leefde, maar de boot eerst afhield), en uiteindelijk in een reeks vraaggesprekken waarin Wambacq deze stem uit het verleden aan de praat kreeg.

De interviews trokken onze aandacht wel onvermijdelijk op de psychologie van Brunfaut. De eerder aangescherpte dan afgebotte standpunten van de hevige ouderling over het verburgerlijkte socialisme, en zijn visie op architectuur als een fysieke emanatie van idealen (kom er bij de hedendaagse Brusselse bouwers maar eens om) spoort immers toch niet helemaal met zijn curriculum. Via zijn vader Fernand leverde Maxime een forse bijdrage aan de voltooiing van de noord-zuidverbinding, die een aantal volkswijken nogal drastisch saneerde door ze van de kaart te vegen. En later recidiveerde Brunfaut in zekere zin met het tekenen van al die metrostations.

Wambacq legt ook dit soort kwesties bloot, schetst hun context en getuigt dat Brunfaut er – hetzij expliciet, hetzij in hardnekkig stilzwijgen – danig mee worstelde.
(Michael Bellon, Brussel Deze Week)

Aucun commentaire: