mardi 2 novembre 2010

Noël Swinnen, van immigrant tot Vlaamse Brusselaar

Noël Swinnen aan zijn appartement in ‘Terrassen aan de Sluis’ in Sint-Jans Molenbeek. “Het opgestoken vingertje van Vlaanderen kunnen we missen als kiespijn.” (© Marc Gysens)

“De discussie over Brussel is er een van doven aan het worden. Het hoge woord wordt meestal gevoerd door politici van buiten Brussel. Politici à la De Wever , die stad en gewest omzeggens enkel kennen vanop de achterbank van hun ambtsvoertuig. Ze orakelen over twee gemeenschappen, waarvan er een in de minderheid is. Terwijl het allemaal zoveel complexer ligt. Ik zeg niet dat de Brusselse politici de waarheid in pacht hebben, maar ze verdienen toch meer gehoor.” Aan het woord is Noël Swinnen, Vlaamse Brusselaar.

S winnens Brussels verhaal begint in 1978. En daar hebben zijn ouders veel mee te maken.
“Vader was gemeenteambtenaar in Scherpenheuvel, moeder bleef aan de haard. Geen van beiden hadden ze de kans gekregen op hogere studies, mij hebben ze enorm gestimuleerd om voort te studeren. Ge moet en ge zult. Van mijn prille jeugd kreeg ik ook politiek met de paplepel ingegeven. Met de nadruk op links-socialistisch. Voor mij was het dan ook snel duidelijk: ik zou politieke wetenschappen studeren.”
“Waarom Brussel? Het was een stad die al lang een min of meer mythische aantrekkingskracht had op mij. De verhalen van vader die als kleine jongen langsging bij familie in Brussel, de bezoeken aan mijn tante, de jaarlijkse uitstap naar de Zuidfoor. Allemaal veel opwindender dan wat de provincie me te bieden had. Ik ben bovendien een product van de punkgeneratie, ik wou dus zo snel mogelijk in een grote stad geraken om concerten bij te wonen. Dan kwam je al eens in Leuven, al eens in Hasselt, al eens in Brussel. De keuze was snel gemaakt, en ook de VUB sprak meteen aan. Dat leefde, met studentenbewegingen die politiek actief waren. Klein, ook.”
“Aan de VUB is Brussel pas goed begonnen voor mij. Ik zat op kot, vrij snel ging ik nog slechts sporadisch in de weekends naar huis. Punkoptredens, naar de bioscoop, op stap gaan: het leven in de stad was een wereld die openging voor mij. Zeer internationaal bovendien, zuiders. Profiteren van de dag, losser dan elders in het land. Brussel is de meest noordelijke stad van Zuid-Europa, wordt veel gezegd, en dat is ook zo.”
“Mijn studies betaalde ik gedeeltelijk zelf. Ik kluste bij, veel in de muziek. Ik heb elke kerktoren van Vlaanderen gezien. Als lichttechnicus, als roadie van wijlen The Employees. Ik heb de eerste Nederlandse tournees meegemaakt van Belgische groepen als TC Matic en De Kreuners. Ik heb hier in concertzalen gewerkt, de AB, Plan K, occasioneel Vorst-Nationaal. Hard werken en hard leven, nog steeds mijn motto trouwens.”
Film
Na de studies kwam het echte leven. “Na de theorie de praktijk ook. Ik werkte zes jaar als kabinetsmedewerker bij toenmalig minister van Economie Norbert De Batselier. Met passie voor cultuur als blijvende link. Dossiers waar ze geen weg mee wisten, zoals het filmdossier, kwamen naar mij. Met goedkeuring van De Batselier startte ik vrij snel gesprekken met medewerkers van het kabinet-Dewael, toen minister van Cultuur. Om de eerste plannen op papier te zetten van wat uiteindelijk het Vlaams Audiovisueel Fonds zou worden. Zo ben ik uiteindelijk in de film- en televisiewereld beland, bij Kladaradatsch!”
Kladaradatsch!, dat met de Palace aan de Anspachlaan getracht heeft de Brusselse arthousebioscoop nieuw leven in te blazen. Met als troef een goede accommodatie, alles erop en eraan.
“Het was een fantastisch project. Het was leefbaar geweest mits wat meer beredenering. Het halsoverkopgedoe van Kladaradatsch! was een sterkte, met die mentaliteit van ‘we gaan ervoor’, maar dit was de brug te ver. Het concept klopte voor een stuk, maar anderzijds ook weer niet. Arthouse spreekt slechts een beperkt publiek aan. Maar je kan dat optimaliseren. Met horeca, wat gebeurde, en met events, wat te weinig gebeurde. Enorm spijtig. Ik werkte daar dag en nacht, geloofde er rotsvast in. Maar het heeft niet mogen zijn. Nu zit ik al tien jaar bij het productiehuis Kanakna waar ik mee het dagelijks management waarneem. Alweer werken tegen de hemel op, alweer razend interessant.”

AMANDA
Constante bij dit alles: wonen en leven in Brussel. “Ik heb in Oudergem gewoond, in Etterbeek, lang in de Arteveldestraat. Anderhalf jaar geleden ben ik verhuisd naar een appartement in ‘Terrassen aan de Sluis’, het nieuwe Gomb-project aan de Ninoofsepoort. Al heb ik er even aan getwijfeld toch de Rand op te zoeken. De mythe achterna dat Brussel niet leefbaar is met kinderen.”
“Het is mijn dochtertje die de mythe heeft doorgeprikt. Amanda, nu tien en grote zus van Aron, mijn zoontje van drie. Ik was met haar wat huizen gaan bekijken, en steeds was ze extreem lastig. Tot ik haar op een herfstavond vroeg: ‘Amanda, je moet me nu toch eens zeggen waarom je zo nukkig bent.’ Zij: ‘Papa, kijk eens naar buiten. Wat zie je?’ Ik: ‘Brussel.’
‘Lichtjes’, zei ze, ‘toch schoon hé. Papa, dat zijn mensen en dat is leven.’ En nog: ‘Voor ons is dat allemaal vlakbij, ik wil niet gaan wonen in een tuin en ik weet niet hoe lang moeten rijden telkens ik iets wil doen.’ Geloof me, ik was aan het janken vanbinnen.”
“Dat Brussel onleefbaar is voor kinderen, daar moet je bij mij dus niet meer mee afkomen. Maar je moet dúrven. Hen meenemen naar de Zuidmarkt, op de metro, tussen alle kleuren en geuren. Hen de stad leren beheersen, ook met de fiets. En als je het aanbod ziet voor die kleine gasten , dat is toch enorm. Al wil ik daarmee niet zeggen dat alles hier perfect is voor kinderen. Maar in de stad gebeurt het, krijgen ze zoveel meer kans om mens onder de mensen te worden.”
“Er is de voorbije jaren bovendien heel wat ten goede veranderd. Met Thielemans waait er een nieuwe wind. Hij heeft oog voor de benedenstad. Er is nu een betere infrastructuur, stadskankers worden aangepakt... “
“Er wordt een visie ontwikkeld, al mag het gerust nog wat meer zijn. Meer fiets- en voetgangersvriendelijkheid bijvoorbeeld, meer veiligheid, minder auto, een betere uitbouw van het onderwijs. Maar toch, je stapt buiten en de wereld ligt aan je voeten. Dat is de enorme meerwaarde van een stad, al wordt dat niet altijd zo gepercipieerd.”

HULP EN RESPECT
Ondertussen heeft Swinnen ook Molenbeek beter leren kennen. “Dat ‘verschrikkelijke Molenbeek’. Maar ik loop daar niet anders rond dan in het centrum, al ben ik ’s avonds wat meer op mijn hoede.”
“Maar het komt weer neer op dat durven. Durven rondlopen alsof die straten van u zijn, durven ’s avonds een couscous te gaan eten. Natuurlijk dat je ‘dingen’ ziet – ook elders in Brussel – en als je er je neus in wil steken is de kans groot dat ze erin bijten. Maar je moet het niet gaan zoeken hé. Je moet het ook niet met je welstand de anderen de ogen uitsteken.”
“Molenbeek is zeker geen makkelijke gemeente, integendeel. Unicultureel ook, zeer Marokkaans getint. Het is een gemeenschap die zeker de jongste jaren op zichzelf is teruggeplooid. Ze is ook enorm aan haar lot overgelaten. Niet zozeer door de gemeente evenwel, die doet wat ze kan. Je kan zeggen van Moureaux wat je wil, maar als burgemeester is hij wel aanwezig op het terrein.”
“Projecten zoals nu dat nieuwe gebouw van de Gomb zijn dan ook belangrijk voor de gemeente. Je moet daar inderdaad mensen brengen die een inkomen en werk hebben, mensen met jonge kinderen die belastingen betalen. Mensen ook die niet om de haverklap verhuizen, die leven in de buurt brengen en die er ook mee bezig zijn.”
“Maar je moet een evenwicht bewaren en erop toezien dat je niet in het sociale weefsel snijdt, zoals in het verleden maar al te vaak is gebeurd. Het hoort allemaal bij het Brussel dat een laboratorium is met als centrale vraag: ‘Hoe gaan we samenleven met ik weet niet hoeveel gemeenschappen?’.
“Het opgestoken vingertje van Vlaanderen kunnen we dan ook missen als kiespijn. Wel moeten we hulp krijgen om die uitdagingen aan te gaan. En respect, respect voor het Brussel waar dagelijks honderdduizenden Vlamingen hun kost komen verdienen. Ik ga niet beweren dat het geld hier altijd even goed besteed wordt, maar is dat in Vlaanderen, dat zo hoog van de toren blaast, wel zo?”
(Brussel Deze Week)

COMMENTAIRE DE DIVERCITY
VLAAMSE BRUSSELAAR OF BRUSSELSE VLAMING?
“De discussie over Brussel is er een van doven aan het worden.”
Le débat autour de Bruxelles tourne au dialogue de sourds où s’affrontent des politiciens à la De Wever ou Jambon à des gens comme Picqué, Doulkaridis ou Delille, Van Acker. Les premiers ne connaissent de la capitale que ce qu’ils en voient du siège arrière de la limousine qui leur fait régulièrement traverser la capitale de l’Europe, de la Flandre et de la Belgique.
Ceux-là ne jurent que par deux communautés, l’une minoritaire, la leur, qu’ils disent brimée et l’autre dont ils ignorent toute la complexité.
Non pas que les politiciens bruxellois soient omniscients sur le sujet mais ils ont l’avantage non négligeable sur les premiers de vivre au quotidien ce dont ils discutent estime Noël Swinnen, un Vlaamse Brusselaar. Autrement dit un Bruxelois flamand comme Guido Fonteyn, Geert vvan Istendael, Yves Desmedt, Bert Anciaux, Jan Goossens voire même Pascal Smet soit l’inverse d’un Flamand bruxellois du style de Brigitte Grauwels, la ministre qui veut imposer aux Bruxellois des taxis aux couleurs de la mère Flandre.

Les ascendants de Noël Swinnen sont originaires de Scherpenheuvel, ses descendants sont résolument bruxellois, sa fille de dix ans ne veut pas entendre parler d’un exil vers la banlieue verte. Lui y a renoncé pour s’installer définitivement dans la zone du canal à Molenbeek, du côté des écluses comme le montre la photo.
Il a choisi de faire ses études à la VUB et est tombé amoureux du cosmopolitisme à la Bruxelloise , comme tant de Flamands devenus Bruxellois à part entière.
A ses yeux et à ceux de tant d’autres Bruxellois flamands, Bruxelles est la plus septentrionale des villes du Nord (“Brussel is de meest Noordelijke stad van Zuid-Europa »)
C’est Amanda qui a déféinitivement anéanti à ses yeux, un mythe vivace chez les Flamands de Bruxelles selon lequel la capotale n’est pas une ville « enfants admis » (“ De mythe dat Brussel niet leefbaar is met kinderen.”)
-‘Papa, kijk eens naar buiten. Wat zie je?’
- Ik: ‘Brussel.’
‘-Lichtjes’, zei ze,
-‘toch schoon hé. Papa, dat zijn mensen en dat is leven. Ik wil niet gaan wonen in een tuin en ik weet niet hoe lang moeten rijden telkens ik iets wil doen.’

A Bruxelles il faut avoir l’audace de vouloir emmener ses gosses à la foire du Midi,
« op de metro, tussen alle kleuren en geuren. Hen de stad leren beheersen, ook met de fiets Er wordt een visie ontwikkeld, al mag het gerust nog wat meer zijn”
Plus de pistes cyclables, un plus grand souci pour les piétons ne feraient pas de tort et moins de trafic, plus de sécurité et surtout un meilleur enseignement. Mais l’immense valeur ajoutée ajoute le Swinnen cosmopolite c’est d’ouvrir sa portière et de se retrouver dans une ville monde (Meer fiets- en voetgangersvriendelijkheid bijvoorbeeld, meer veiligheid, minder auto, een betere uitbouw van het onderwijs. Maar toch, je stapt buiten en de wereld ligt aan je voeten. Dat is de enorme meerwaarde van een stad, al wordt dat niet altijd zo gepercipieerd.”)
“Durven rondlopen alsof die straten van u zijn, durven ’s avonds een couscous te gaan eten. (…) Brussel dat een laboratorium is met als centrale vraag: ‘Hoe gaan we samenleven met ik weet niet hoeveel gemeenschappen?’”
Bel hommage à Bruxelles à quoi deux navetteurs flamands enracinés dans leur campagne répondent:
“Zellik is 16 minuten met de trein, Vilvoorde minder dan 15 minuten, Zaventem 15 à 20 minuten, Overijse heeft geen trein maar het kan toch in 30 à 45 minuten met een combinatie bus en metro.”

“Binnenkort ga ik in Kampenhout wonen, ietsje verder dan de zogenaamde Rand. Inderdaad, met een grote tuin. Mijn werk in Brussel is op 50 minuten fietsen, geloof het of niet. De auto pak ik allang niet meer, dat duurt nog veel langer. Er leeft een even grote mythe in de Rand dat de auto het enige vervoermiddel is om je te verplaatsen van dorp naar stad. Enkele voorbeeldjes van een ervaren Brussel & Randfietser. Zellik - centrum Brussel: 25 minuten fietsen. Vilvoorde - centrum Brussel: 30 minuten fietsen. Zaventem-centrum Brussel: 30 minuten fietsen. Overijse-Centrum Brussel: 35 minuten fietsen. Probeer eens. Je hebt enkel nodig: een goede fiets, aangepaste regenkledij, niet meer dan 25 kilometer per uur fietsen een degelijke fietskaart die je in de betere boekhandel kan kopen, om een veilige weg uit te stippelen. “
En opposant ces deux points de vue on mesure toute la différence qui sépare un Vlaamse Brusselaar d’un Brusselse Vlaming autrement dit un Bruxellois flamand (comme Swinnen) d’un Flamand de Bruxelles.
MG

Aucun commentaire: