jeudi 22 septembre 2011

Divorce MR-FDF, « l’affrontement de deux logiques »

Le divorce avec les libéraux sera officialisé par Olivier Maingain lors du prochain Conseil général du FDF. Selon David Coppi, Charles Michel fait un pari risqué mais pas perdu d’avance.

Qui porte la responsabilité de ce divorce ?

David Coppi : Personne. Charles Michel et Olivier Maingain sont dans leur logique politique. Le premier a choisi le compromis et le second le refus du compromis, en tout de cette sorte. Au niveau où le FDF avait placé la barre, je pense qu’un compromis n’était pas possible. Olivier Maingain était clair depuis plusieurs semaines : il demandait à Charles Michel d’exiger trois ou quatre modifications. Il n’a pas obtenu satisfaction.

Quelles seront les conséquences de cette séparation pour le MR et pour le FDF ?

Le MR perd trois sièges à la Chambre et n’en a plus que 15. Mais il devient surtout le troisième parti dans les négociations (NDLR : il était le deuxième jusqu’ici) et choisira donc son portefeuille ministériel après le CD&V. Mais il y a les élections communales, avec des majorités en suspens. Le MR et le FDF continueront probablement sur une ligne d’affrontement, où le FDF jouera sa carte jusqu’au bout, sur le thème de la trahison. Cependant, le poids des francophones dans les négociations actuelles ne sera pas modifié par cette séparation.

Comment analyser l’attitude de Charles Michel ?

Son pari est de prendre le leadership sur sa formation politique de façon décisive. Il engage aussi le MR dans la reconquête au niveau régional de Namur et de Bruxelles. Mais il n’était pas prêt à le faire à tout prix : il assied son pouvoir via un compromis que lui-même et la plupart des membres du MR jugent défendable. Charles Michel a choisi une position stratégique forte et très risquée mais son pari n’est pas perdu d’avance.

Quels seront les gagnants et les perdants de ce divorce ?

De façon cynique, on pourrait dire que le PS et les autres partis francophones seraient gagnants en cas d’affaiblissement du MR. Mais on n’en est pas là et personne ne peut dire que le MR s’affaiblira. Si les négociations aboutissent, le positionnement de Charles Michel pourrait être gagnant pour les troupes libérales.

Louis Michel parle de « dérive populiste » du FDF… Peut-on comparer le FDF avec la N-VA ?

Les deux formations n’ont rien à voir. Le nationalisme conquérant de la N-VA n’a rien à voir avec le « francophonicisme » défensif du FDF. Et fondamentalement, la N-VA est séparatiste alors que le FDF ne l’est pas.

Où en sont les négociations ?

Les négociateurs travaillent sur la loi de financement. Ils se retrouvent cet après-midi. L’idée, parmi eux, est de tenter d’aboutir sur la réforme de l’État donc sur la loi de financement et sur le transfert de compétences dans les prochains jours, peut-être dans moins d’une semaine. Après, ils commenceront la dernière phase de négociations, à savoir la tentative de former un gouvernement, ce qui est encore une autre histoire…
(Propos résumés par Antoine Jacquet (St.)

Het ABC van het FDF
Het FDF strijdt al sinds de jaren 1960 voor de rechten van Franstaligen in de Brusselse rand.
Chantal Kesteloot geeft duiding bij het FDF: achtergrond, electoraat en motivatie.Het FDF strijdt al sinds de jaren 1960 voor de rechten van Franstaligen in de Brusselse rand. Kesteloot is historica en auteur van Au nom de la Wallonie et de Bruxelles français. Les origines du FDF, Brussel, Complexe, 2004.

Zondag pas neemt de algemene raad van het FDF een beslissing, maar nu al kan het geen kwaad te wijzen op een paar elementen die de huidige crisis in de partij kunnen verklaren. Een korte geschiedenis. Al van bij de stichting in 1964 nam de partij in haar programma op dat ze streefde naar de uitbreiding van wat toen nog de Brusselse agglomeratie heette. Deze nieuwe formatie sloeg snel aan in de rand, waar organisaties die voordien al opkwamen voor de taalvrijheid, zich aansloten.

In de zomer van 1963 legde de regering Lefèvre-Spaak eigenlijk al de contouren vast van een probleem dat zou uitgroeien tot een explosieve twistappel. Het taalcompromis van Hertoginnedal beperkte de Brusselse agglomeratie tot negentien gemeenten, die werden ingesloten door het Vlaamse arrondissement Halle-Vilvoorde. In zes Brusselse randgemeenten werden taalfaciliteiten voor de Franstaligen geïntroduceerd. Die zes gemeenten vormden een soort apart kiesarrondissement. Voor de nieuwe partij voelde de administratieve scheiding aan als een keurslijf dat Brussel zijn natuurlijk hinterland ontnam. Dat discours kaderde binnen een defensieve logica die opkwam voor de rechten van Franstaligen. Ondertussen was er echter een groeiende verstedelijking aan de gang, en sommigen keerden de stad de rug toe om zich in een groene omgeving te vestigen. Tegelijk verplaatste de bevolkingsaangroei zich van de stad naar de rand. Dat was geen typisch Brussels of Belgisch fenomeen, maar bij ons was het toch bijzonder complex. In de jaren zestig leefden namelijk twee taalgroepen samen die een bepaalde onderlinge verhouding hadden geërfd uit het verleden, en sociaal ongelijk leken.

TROUW AAN OVERTUIGINGEN
De strijd voor de rechten van Franstaligen in de rand is dus innig verbonden met de oprichting van het FDF. Die strijd heeft niet altijd even hevig gewoed, maar dat neemt niet weg dat de ontwikkeling van het FDF bepaald werd door conflicten en eisen omtrent de rechten van Franstaligen in de rand.

Het verbaast dan ook niet dat het compromis voor B-H-V onaanvaardbaar lijkt in de ogen van het FDF. Het gaat om zijn geloofwaardigheid en legitimiteit ten aanzien van de beloften aan het electoraat. In oktober 2012 zijn het gemeenteraadsverkiezingen. Het is op dat lokale niveau dat het FDF zijn sterkste verankering heeft, zowel in Brussel als in de rand. Door het compromis af te wijzen isoleert de partij zich zeker in politiek opzicht, maar die houding kan evengoed beschouwd worden als een herbronning. De partij wijst haar traditionele electoraat erop dat ze trouw is gebleven aan haar overtuigingen van weleer. En ze wijst een nieuw electoraat erop dat ze niet aarzelt om risico's te nemen, dat ze haar imago van 'partij der Franstaligen' gestand doet, dat ze de beste dam is tegen de onaanvaardbaar geachte eisen van de N-VA, ook al betaalt ze daar een prijs voor door de breuk met de MR.

Een gewaagde gok? Vandaag is het moeilijk om die vraag te beantwoorden, maar wel duidelijk zijn de tegenstrijdige reacties. Na meer dan 460 dagen regeringscrisis vinden sommige burgers dat het tijd is voor een compromis, ongeacht de prijs of de inhoud. Voor anderen is de symboolwaarde van B-H-V zo groot dat het ondenkbaar is een compromis te aanvaarden. Voor die laatsten heeft de houding van het FDF de verdienste van de duidelijkheid, sommigen verwelkomen ze zelfs met oprechte opluchting. Sommige onder hen hebben ook nooit achter de alliantie met de liberalen gestaan, en zijn blij dat ze eindelijk verlost zijn van wat ze beschouwen als een al te rechtse hinderlijke bondgenoot.

Franstalige bourgeoisie
Dat brengt ons bij het electoraat van het FDF. Wie stemt er vandaag op die partij? Die vraag is complexer dan ze op het eerste gezicht lijkt. Het electoraat van het FDF vereenzelvigen met een Franstalige bourgeoisie die het Nederlands minacht, is wat kort door de bocht. Ja, er wonen gegoede burgers in de rand. Maar die zijn niet allemaal Franstalig, en ze stemmen niet allemaal op het FDF. Onder de kiezers van het FDF bevinden zich ook Franstaligen die in de rand zijn gaan wonen op een moment dat dat nog kon, en die al bijna een halve eeuw ijveren opdat die gemeenten opnieuw aangehecht zouden worden bij Brussel. Het is een kijk die berust op andere waarden en andere opvattingen dan het standpunt dat verband houdt met de 'onaantastbaarheid' van de taalgrens. Die waarden, die verdedigd worden door het FDF en ondersteund worden door het electoraat, beroepen zich op het principe van de taalvrijheid.

En zo staan twee visies lijnrecht tegenover elkaar. Aan Vlaamse kant verdedigen sommigen het mythische beeld van een ruraal 'Vlaams Vlaanderen' dat nooit bestaan heeft, en waaruit de Vlamingen hoe dan ook nooit verjaagd zijn. Aan Franstalige kant blijven bepaalde mensen vasthangen aan het beeld van een Franstalig België dat ook nooit bestaan heeft. Die mensen zullen nooit hun Franstalige identiteit verloochenen, of ze nu tweetalig zijn of niet. Die twee mythes zijn onverzoenbaar, ook al voeden ze elkaar wederzijds. De Vlaamse manifestanten in Linkebeek zondag, die even talrijk waren als de inwoners, hebben zonder twijfel meer gedaan voor het FDF dan gelijk welk compromis kan bewerkstelligen...Maar het electoraat van het FDF beperkt zich niet tot de rand. De partij heeft solide bastions in een aantal Brusselse gemeenten, waaronder bijvoorbeeld Schaarbeek, de tweede grootste gemeente in Brussel, met een gemiddeld inkomen dat veel lager ligt dan in de rijke randgemeenten. Het FDF trekt ook andere stemmen aan. Het is geweten dat de tweetaligheid in Brussel een belangrijk obstakel is voor de toegang tot de arbeidsmarkt.

Stemmen op een partij die dat gegeven verwerpt, is een logische reactie als je die situatie wilt wijzigen. Bovendien zijn bepaalde Franstaligen de Vlaamse eisen die onophoudelijk, onuitputtelijk en telkens vernieuwd blijven toestromen meer dan beu. En als radicale keuzes gemaakt moeten worden, dan haalt de meeste radicale partij het, en niet de partij die daar een bleke kopie van lijkt te zijn.
Nu is het afwachten of de twistpunten van gisteren die afstralen op het heden, er ook morgen nog zullen zijn. Dat zal de toekomst van het FDF op de lange termijn bepalen. Maar zonder glazen bol valt daar nu weinig over te zeggen.

COMMENTAIRE DE DIVERCITY
La position pure et dure et l’arrogance de Maingain doivent être interprétées à la lumière de l’histoire de son parti que résume succinctement dans de Morgen Chantal Kesteloot, docteur en histoire et auteur de “Au nom de la Wallonie et de Bruxelles français. Les origines du FDF, Bruxelles, Complexe, 2004. En voici un méchant résumé qui ne doit pas vous dispenser de le lire sans tarder.
1964 le FDF à peine sorti des fonds baptismaux réclame déjà l’élargissment de l’agglomération bruxelloise.
En 1963 le gouvernement Lefèvre-Spaak délimitait l’agglomération bruxelloise à 19 communes enclavées dans l’arrondissement flamand de Halle-Vilvoorde. Des facilités seront accordées aux francophones dans six communes de la périphérie.
Pour le FDF cela voulait dire que Bruxelles était enfermée dans un carcan l’isolant de son hinterland (dans lequel s’étaient installés de nombreux francophones dont le FDF entendait défendre les droits).
De plus en plus de Bruxellois migrèrent alors vers la périphérie verte en territoire flamand. Le FDF se voulut le champion de leurs droits.
Rien d’étonnant donc à ce que Maingain considère le compromis de septembre 2O11 comme imbuvable.
En dénonçant ce compromis et en rompant avec les libéraux, le FDF, champion des francophones, pense se ressourcer en réaffirmant à son électorat de base son intransigence face à la N-VA.
Un pari dangereux? Chacun fera son analyse. Marc Uytendael a fait la sienne en traitant Maingain de tricheur; Pascal Delwit propose une lecture plus nuancée. L’electeur donnera la sienne en octobre 2O12. En politique un an c’est plus long qu’une année lumière: bien des choses peuvent changer.
Qui vote FDF aujourd’hui? Les bourgeois francophones qui n’ont que mépris pour tout ce qui est flamand? Certes oui, mais il n’y a pas que des francophones arrangants et nantis domiciliés en Brabant flamand et tous ne sont pas des inconditionneles du FDF.
En revanche, tous ceux qui défendent la liberté en matière d’emploi des langues adhèrent à ses valeurs: droit des gens contre droit du sol.
Du côté flamand on entretient l’image fausse d’une Vlaams Vlaanderen rurale qui n’a jamis existé, tandis que du côté francophone on se réfère à une Belgique francophone qui relève elle aussi d’un mythe cher à Antoinette Spaak. Ces deux mystifications sont inconciliables.
Chantal Kesteloot a raison, les cinq mille militants flamingants enragés (TAK, Vlaams Belang et N-VA confondus) qui ont envahi Linkebeek dimanche ont donné un solide coup de pouce au FDF.
Qu’on ne s’y trompe pas le FDF ne recrute pas seulement ses électeurs en périphérie mais aussi dans plusieurs grosses communes bruxelloises (Schaerbeek, Woluwé, Auderghem, Boitsfort). Last but not least, il séduit également l’électorat bruxellois exspéré par les excès du radicalisme flamand.
Dans un article judicieusement intitulé: le choix entre les principes et le compromis, le politologue Pascal Delwit tente de répondre à la vraie question: Maingain est-il prêt au compromis ou non? Le président du FDF a répondu par la négative. Conséquences?
“Charles Michel a choisi une position stratégique forte et très risquée mais son pari n’est pas perdu d’avance. » Et Coppi de commenter dans le Soir en concluant :

« De façon cynique, on pourrait dire que le PS et les autres partis francophones seraient gagnants en cas d’affaiblissement du MR suite au divorce. Mais on n’en est pas là et personne ne peut dire que le MR s’affaiblira. Si les négociations aboutissent, le positionnement de Charles Michel pourrait être gagnant pour les troupes libérales. »

Curieusement, si Armand De Decker s’énerve jusqu’à friser l’infar, Didier Reynders se tait. Sans doute n’aspire-t-il qu’à une seule chose, récupérer son marocain des finances. Rien d’impossible depuis que Yves Leterme a décidé d’immigrer vers Paris.

Mais attention rien n’est joué. Tants qu’il n’y a pas accord sur tout... Il reste à conclure sur le refinancement de Bruxelles et la réforme de la loi de financement. Un gros, un très gros morceau ; « een dikke vis » pour parler comme Bart de Wever.
MG

KIEZEN TUSSEN PRINCIPES EN HET COMPROMIS
dm opinie Pascal Delwit, politicoloog aan de Université libre de Bruxelles (ULB), vraagt zich af of het FDF en Olivier Maingain zich willen vastklampen aan hun principes of bereid zijn tot water in de wijn.

(…)Waarom zijn het FDF en Olivier Maingain zo een probleem? Laten we eerst naar het FDF kijken. De partij werd in 1964 gesticht als verzet tegen de taalwetten van 1962-1963. Ze vond de beperking van Brussel tot de negentien gemeenten onaanvaardbaar en de compensatie (de taalfaciliteiten en B-H-V) een lapmiddel. Het FDF is natuurlijk geëvolueerd en heeft zelfs in 1970 voor het federalisme gekozen. Maar die aanvankelijke afwijzing van de taalwetten van 1962-1963 blijft een centraal onderdeel van zijn identiteit, ook al is zijn omvang veranderd.

Weinig bereid tot concessies
Na een piek in de jaren '70 verloor de partij in de jaren '80 electoraal en politiek terrein, zodat ze haar heil zocht in bondgenootschappen, eerst in 1993 met de PRL en later, in 2002, met de MR. Het FDF onderscheidt zich binnen die partij op twee punten van de liberale component: ze heeft een sterkere 'sociale' inslag dan de liberalen en ze komt harder op voor de belangen van de Franstaligen. In beide domeinen bepaalt Olivier Maingain de politiek van de MR. En in beide domeinen is (zeer) weinig bereid tot concessies.

Bij de Nederlandstaligen en de Franstaligen is hij vooral zichtbaar in de communautaire discussie en is hij misschien de meest gehate of de meest gewaardeerde politicus. Het lijdt geen twijfel dat hij de koers van het FDF bepaalt, ook al zijn niet alle leden het eens met zijn onverbiddelijke en soms problematische communicatie, zoals zijn vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog. Olivier Maingain komt over als een bekeerling, een beetje zoals Yves Leterme in het midden van de jaren '80.

Hij is opgegroeid in een gemengd gezin maar stelt zich op als de verwoede verdediger van de Franstaligen, vooral in de Brusselse rand, en vindt dat hij een rol moet spelen in een aanpassing van de taalwetten van 1962-1963. Die wetten worden volgens hem niet eens gerespecteerd: de taalfaciliteiten worden te eng geïnterpreteerd. En hij vindt de reden om bepaalde burgemeesters uit de rand niet te benoemen illegaal, want de taalwetten zijn een federale aangelegenheid en kunnen niet door een decreet of een circulaire worden veranderd.

Maar in werkelijkheid zijn niet zozeer zijn ideeën problematisch. In Vlaanderen en in Franstalig België zijn de standpunten in feite weinig in de tijd veranderd. Veel Nederlandstalige politieke en maatschappelijke actoren vertolken standpunten die de Franstaligen niet willen horen of niet kunnen aanvaarden. En omgekeerd.

De echte vraag is of Maingain en het FDF zich willen vastklampen aan hun principes of bereid zijn tot een compromis. Echt bereid. Want bij het begin van onderhandelingen zal niemand zeggen dat hij geen compromis wil. En net als bij de N-VA en Bart De Wever rijzen hier ernstige vragen. Aan de ene kant heeft Maingain, die er in mei 2005 bij was, de onderhandelingen over B-H-V niet doen afspringen, of toch niet formeel. Aan de andere kant houdt hij zich niet aan een aantal regels - meer bepaald op het vlak van de communicatie - die cruciaal zijn opdat de onderhandelingen zouden slagen, telkens als een akkoord in zicht lijkt.

Aucun commentaire: