mardi 10 avril 2012

Jezus Christus: waarheid of mythe?




Streng historisch onderzoek leert iets over Jezus van Nazareth, maar zegt ook iets over ons, stelt Etienne Vermeersch. Vermeersch is filosoof en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Gent.

Mensen zoals Bultmann, die het Jezusverhaal hebben 'ontmythologiseerd', zijn toch christen gebleven. Zelfs degenen die, zoals ik, op rationele gronden de hele 'boodschap' hebben gedeconstrueerd, blijven op allerlei gebieden - in beelden, emoties en medevoelen - met hen verbonden

Enkele dagen geleden schreef Bart De Wever een opmerkelijk essay over de spanning tussen mythe en historische waarheid (DS 24/3). Zo'n 'mythe' kan geheel of gedeeltelijk waar of onwaar zijn. De historicus onderzoekt dat waarheidsgehalte en De Wever vraagt zich af of bij een negatief resultaat de mythe nog een functie kan behouden. Hij stelt dit probleem inzake natievorming en identiteit. In hetgeen volgt heb ik het over de mythe, de 'boodschap' van het christendom. In welke mate blijft die standhouden na historisch onderzoek van het verhaal over Jezus?

Die 'boodschap' kan men als volgt samenvatten. Rond de jaren dertig van onze jaartelling leefde in Palestina een man, Jezus van Nazareth. Hij predikte, eerst in Galilea, daarna in Judea en Jeruzalem; "hij ging rond al weldoende", maar hij werd door de machthebbers van die tijd gevangengenomen, ter dood veroordeeld en hij is op het kruis gestorven en daarna begraven. Hij is echter na drie dagen uit de dood opgestaan. Hij was de Christus, de langverwachte Messias. Bovendien is hij als zoon van God tegelijk God en mens. Hij is uit liefde mens geworden en door zijn kruisdood heeft hij de zonden van de mensen uitgeboet. Wie in hem gelooft, is verlost uit de zonde en krijgt de garantie van het eeuwige leven. Hij zal terugkomen om de levenden en de doden te oordelen en zijn rijk zal geen einde kennen. De Mattheuspassie van Bach drukt op meesterlijke wijze uit welke indruk het mediteren over die 'mythe' eeuwenlang op de christenen gehad heeft: geloof, emotie, ritueel en alledaags handelen.

Historisch bewijs
Maar wat leert streng historisch onderzoek? (a) Er bestaat over Jezus geen enkele strikt historische bron. De antieke geschiedschrijvers weten er, tweedehands dan nog, nauwelijks iets over. Flavius Josephus spreekt even over Jacobus "de broer van Jezus", maar weet verder niets. Philo van Alexandrië, een tijdgenoot van Jezus die Palestina goed kende, vermeldt hem niet. Als hij bestaan heeft (wat ik aanneem), was hij zeker geen ruim bekende figuur. (b) We hebben wel geschriften van christelijke auteurs, maar geen enkele van hen heeft Jezus zelf gekend. De oudste van die geschriften zijn de authentieke brieven van Paulus (tussen 50 en 60). Daarna komen de evangeliën, maar die zijn minstens 40 jaar na Jezus' dood geschreven. Paulus heeft het in essentie over de verlossende dood en de verrijzenis van Christus, maar vermeldt over de historische Jezus bijna niets. De evangeliën hebben het wel over leer en leven van Jezus, maar het oudste (en bondigste), Marcus (Mc), dateert van even voor 70. Mattheus (Mt) en Lucas (Lc), die gedeeltelijk op Marcus en op een andere bron steunen, zijn te situeren rond 80-90 en Johannes (Joh) rond 90-100. (c) Op de historicus maken die teksten geen indruk van betrouwbaarheid. Ze spreken elkaar op vele plaatsen tegen en ze vertellen mirakelverhalen die zonder meer ongeloofwaardig zijn. Wie de kindsheidsverhalen van Lucas en Mattheus naast elkaar legt, merkt onmiddellijk de tegenstrijdigheden; de passieverhalen staan vol van voorspellingen van Jezus, alsof hij alles zelf gepland heeft. Maar laten we even in detail de verrijzenisverhalen bekijken.

Stel dat iemand een film wil maken over wat na Jezus' dood gebeurd is; dan moet hij de volgende 'feiten' weergeven. Op de avond na zijn dood wordt zijn lijk behandeld door Jozef van Arimathea met honderd pond mirre en aloë en begraven (Joh 19, 39-42). Maria Magdalena en de moeder van Jozes (Mc 15,47) en nog andere vrouwen (Lc 24,10) zien dat gebeuren; toch kopen ze daarna welriekende kruiden om hem te balsemen (Mc 16,1). Toen de zon juist op was (het is dus niet meer donker) (Mc 16,2), gingen Maria Magdalena en de andere Maria (Mt 28,1) en Salome (Mc 16,1) naar het graf. Of neen, Maria Magdalena ging alleen naar het graf en het was nog donker (Joh 20,1). De drie (of de twee) vrouwen zien dat de steen is weggerold en binnen in het graf zien ze één jongeman zitten in een wit gewaad (Mc 16,5); of neen, een engel rolt voor hun ogen de steen weg en gaat daarop zitten buiten het graf (Mt 28,2); of nog beter: ze vinden de steen weggerold, zien dat het lichaam van Jezus weg is en pas daarna staan twee mannen voor hen (Lc 24,2-4).

Dissonantie
Iedereen kan deze oefening verder doorvoeren: je valt van de ene contradictie in de andere. En bedenk dan dat de oudste tekst (Paulus) niets over het graf of over de vrouwen zegt en Petrus als de eerste beschouwt die de verrezen Christus gezien heeft (1 Cor 15,3-12). Wie zo de eerste christelijke teksten analyseert, moet tot het besluit komen dat de 'mythe', de christelijke boodschap, hier geen historische grond kan vinden. Wel kan men een hypothetisch verhaal opstellen dat enigszins het ontstaan ervan kan verklaren.

Bijvoorbeeld. Er heeft in het begin van onze jaartelling in Palestina een Jeshua geleefd die, onder invloed van Johannes de Doper, predikte dat het Rijk Gods nabij was. Hij had een zeker charisma, deed genezingen en kon een kleine groep leerlingen rond zich verenigen die sterk aan hem gehecht waren. Hij trok naar Jeruzalem, werd daar door de Romeinen als een gevaarlijke 'would-be' Messias beschouwd en gekruisigd. Voor de leerlingen was dat een psychische catastrofe, een 'dissonantie' in de terminologie van Festinger. Dat ondraaglijk gevoel wordt enigszins 'gereduceerd' als ze visioenen krijgen van de 'verrezen' Jezus. Maar de vraag blijft: waarom die smadelijke kruisdood? Mijns inziens volgt dan de beslissende 'dissonantiereductie': hij is precies daarvoor gekomen, om ons door zijn lijden en dood te verlossen. Paulus heeft die gedachte verder onderbouwd en zo is de christelijke 'mythe' ontstaan.

Maar nu terug naar De Wever. Mensen zoals Bultmann, en velen na hem, die deze 'ontmythologisering' van het Jezusverhaal hebben doorgevoerd, zijn toch christen gebleven; zij het in een bijzondere interpretatie. En zelfs degenen die, zoals ik, op rationele gronden de 'deconstructie' op de hele 'boodschap' hebben toegepast, blijven op allerlei gebieden - beelden, emoties en medevoelen - met hen verbonden. In deze tijd vormt de gezamenlijke ontroering door de Mattheuspassie een bewijs dat ook bij ons de 'mythe' nog nawerkt.

Over de zin en de draagwijdte van die thematiek valt dus nog heel wat te onderzoeken.

DE DOOD HEEFT NIET HET LAATSTE WOORD
Column Rik Torfs
‘Geloof ikzelf in de verrijzenis? Ja, maar zeker ben ik natuurlijk niet.' RIK TORFS wíl niet alleen in verrijzenis geloven. Hij voert ook aan hoe van zijn studie in de jaren zeventig tot vandaag een lijn loopt waarlangs dat geloof heeft standgehouden.
Januari 1979. We zaten in het laatste jaar rechten en hadden elke vrijdagochtend college over God. Op een dag sneed professor Herman-Emiel Mertens het paasgeloof aan. De verrijzenis van Christus en onze eigen opstanding. Mertens was een fijnbesnaarde man met zilvergrijze haren. Prachtige dictie. Alles was taal. We luisterden gespannen. ‘De dood heeft niet het laatste woord', zei de hoogleraar. Een student stond recht. Hij wilde duidelijkheid. Of de professor de verrijzenis concreter kon beschrijven? Pats, de betovering die over de zaal hing was verbroken. Mertens reageerde geïrriteerd: ‘Als u wil geloven in de bevlezing der lichamen, moet u dat vooral doen.' De toekomstige rechtsgeleerde zweeg. Vernederd. Er ontstond geroezemoes in de zaal. Zelf voelde ik mij kokhalzen. De bevlezing. Een woord dat ik tot dan toe nooit had gehoord en dat enkel horror suggereerde. Graven breken open, uit kisten stappen skeletten die zich moeizaam bij elkaar houden, aan hun botten hecht zich weerom het vlees – maar hoe? – dat na de dood was weggerot of verslonden door de wormen. En ik dacht: als het op die manier moet, is verrijzen geen pretje.

HET TEKORTSCHIETEN VAN TAAL

De scène typeert de sfeer in de late jaren zeventig. De opstanding der doden, met veel vertoon en drama, in de stijl van Jeroen Bosch of Michelangelo, was niet langer geloofwaardig. Geen theoloog die het waagde haar te verdedigen. In plaats van de plastische voorstellingen uit de middeleeuwen en de renaissance, kwam taal. ‘De dood heeft niet het laatste woord.' Goed. Maar wie of wat dan wel? Wat mogen wij verwachten? Dat wilden veel mensen die de oude theorieën hadden opgegeven en er nieuwe zochten graag weten. Op dat verlangen gingen de godgeleerden die elk jaar met Pasen in De Standaard een stukje schreven niet in. Ze zegden alleen dat wetenschappelijke en religieuze taal van elkaar verschillen. Dat was juist, maar te weinig. Daardoor ontstond de treurig stemmende indruk dat, anders dan over wetenschap, over religie geen gesprek mogelijk is.

Pasen werd een te mijden onderwerp. Stilaan lieten mannelijke theologen het onderwerp aan vrouwen over. Die wezen erop dat het vrouwen waren die de derde dag na Christus' dood zijn graf bezochten. En dan? Wat zegt dat over de verrijzenis zelf? Samengevat: van een heel concrete verrijzenis belandden we in een heel abstracte. Die kon op terechte schroom wijzen, maar ook op oprukkend ongeloof.

Dat laatste verspreidde zich alom in Vlaanderen en liet een spiegelbeeld van het verzwonden geloof zien. Dat was heel concreet en primitief. Er bleken praktische bezwaren tegen de verrijzenis te bestaan. Hoe kom ik terug, als jonge knaap, als man in de kracht van mijn leven, als incontinente ouderling? Er was ook plaatsgebrek in de hemel. Hoe raken al die mensen naar binnen? De manier waarop iemand zijn ongeloof belijdt, zegt alles over hoe hij vroeger geloofde.

DE VRAAG STELLEN IS NIET ZE BEANTWOORDEN

Bestaan er sluitende wetenschappelijke argumenten tegen de verrijzenis? Neen, maar argumenten vóór zijn er evenmin. Er is alleen de zekerheid van de vraag, in de lijn van de Franse filosoof Jean-Luc Marion (°1946). Zekerheid is niet alleen in exacte wetenschappen te vinden. Ook een vraag kan die bieden, zolang we helder kunnen uitleggen hoe en waarom ze voor altijd een vraag zal blijven. Daarom houdt de godsvraag stand tegenover de kritiek dat de onmogelijkheid om God te ervaren erop wijst dat hij niet bestaat. Want alles wat met God te maken heeft, is voor de mens per definitie onbereikbaar.

Hij zei het hard die vrijdagochtend en argumenteerde zijn stelling te weinig, maar inhoudelijk had Mertens gelijk toen hij zich verzette tegen een concrete beschrijving van de opstanding. De bevlezing van de lichamen is niet alleen onappetijtelijk, ze is ook ongeloofwaardig. Spreken over God betekent in de eerste plaats: toegeven dat we niets over hem weten of kunnen weten. Wat dan weer geen reden is om te zwijgen. Want één ding geloof ik vast: met Pasen zijn we lang niet klaar. Wat na de dood komt, blijft voor de meeste mensen een belangrijke vraag. Hoogstens voelen ze er een lichte gêne bij. Het klinkt cool als je kunt zeggen dat je er sinds je puberteit helemaal uit bent en dat de dood het einde is.

Zelf moet ik bekennen dat de vraag mij nog altijd bezighoudt. Paulus schreef: ‘Als Christus niet is verrezen, is onze prediking een verzinsel en uw geloof zonder grond.' Vele theologen nemen die woorden vandaag niet graag voor hun rekening. Geloof moet hier en nu gebeuren, klinkt het. Niet te veel mikken op later. Nochtans, als ik mijn hart volg, geef ik Paulus gelijk. Je kunt Pasen dermate vanzelfsprekend en binnenswerelds interpreteren, gericht op heil en geluk op aarde, dat een mens van goede wil het recht verliest om ongelovig te zijn. Dat is niet fair. Dus ja, Paulus heeft gelijk, zonder verrijzenis is het geloof leeg.

VAN THOMAS TOT PROUST

Maar wie wil geloven heeft verduiveld weinig in handen. Er is het lege graf. Er zijn de verschijningsverhalen, waaruit openheid voor transcendentie blijkt. Thomas troost mij het meest. Die kon, anders dan de andere apostelen, enkel in de verrijzenis geloven als hij met zijn vingers mocht voelen waar precies de spijkers de handen van Christus hadden doorboord, en als hij tastend in diens zij het door de lanssteek gemaakte gat kon vinden. De hedendaagse mens heeft sympathie voor Thomas. Zijn houding is kritisch. Eerst zien en dan geloven. De triomf van de wetenschap. Velen herkennen zich daarin.

Voor mij schuilt de schoonheid van het verhaal elders. Thomas aanvaardt dat Christus stierf aan het kruis. Dat doet hij terecht. De verrijzenis sluit hij niet geheel uit. Maar als Christus verrees, dan wel met behoud van de wonden die hij hangend aan het kruis opliep. Dat is een buitengewoon spannende gedachte. Thomas vindt de verrijzenis minder onwaarschijnlijk dan de genezing van de opgelopen wonden. Daarmee bewijst hij dat het voor een mens onmogelijk is zich de opstanding op een geloofwaardige, van onnozelheid ontdane manier voor te stellen. Net als onze tijdgenoten stort Thomas zich op technische aspecten. Die houding troost, omdat zij de grenzen van de rede prachtig illustreert.

Geloof ikzelf in de verrijzenis? Ja, maar zeker ben ik natuurlijk niet. Filosofie of theologie helpen mij nauwelijks. Wel de kunst, die nooit over verrijzenis spreekt, maar haar soms laat zien. Of toch een voorafspiegeling van wat ze zou kunnen zijn.

In Contre Sainte-Beuve beschrijft Marcel Proust (1871-1922) hoe hij tijdens een wandeling met vrienden een geplaveide binnenplaats overstak. Plotseling stond hij stil in het midden ervan, bij het zien van de oneffen, glimmende stenen die hem omringden. Zijn vrienden liet hij gaan. Alleen achtergebleven overweldigde hem langzaam een gevoel van geluk. De terugkeer van voetstappen die hij lang geleden zette in het baptisterium van San Marco in Venetië. Proust noemt dit gevoel résurrection. Bij die verrijzenis is de herinnering van de ervaring zuiverder dan de ervaring zelf, want die was vluchtig, verdween tussen de terloopsheid van andere gewaarwordingen. En dan schrijft Proust: ‘Niet alleen is het verstand van geen nut bij dit soort verrijzenissen, bovendien worden zulke momenten van het verleden alleen zichtbaar in voorwerpen waarin het verstand nooit heeft geprobeerd hen op te sluiten.'

Misschien verrijzen we niet. Maar doen we het wel, wat ik hoop, dan helemaal anders dan we denken.

COMMENTAIRE DE DIVERCITY

DEUX TRES BEAUX TEXTES

DE VRAIES QUESTIONS ET DE VAGUES REPONSES

On peut bien sûr méditer ces textes magnifique à l'infini.

Une question demeure. Est=il possible de croire en renonçant à adhérer au dogme?


"Streng historisch onderzoek leert iets over Jezus van Nazareth, maar zegt ook iets over ons"

"In welke mate blijft die standhouden na historisch onderzoek van het verhaal over Jezus?"


"Maar wat leert streng historisch onderzoek?
Er bestaat over Jezus geen enkele strikt historische bron. (...)
Wel kan men een hypothetisch verhaal opstellen dat enigszins het ontstaan ervan kan verklaren."

"Maar de vraag blijft: waarom die smadelijke kruisdood?
Mijns inziens volgt dan de beslissende 'dissonantiereductie': hij is precies daarvoor gekomen, om ons door zijn lijden en dood te verlossen. Paulus heeft die gedachte verder onderbouwd en zo is de christelijke 'mythe' ontstaan."

"Zelfs degenen die, zoals ik, op rationele gronden de 'deconstructie' op de hele 'boodschap' hebben toegepast, blijven op allerlei gebieden - beelden, emoties en medevoelen - met hen verbonden. In deze tijd vormt de gezamenlijke ontroering door de Mattheuspassie een bewijs dat ook bij ons de 'mythe' nog nawerkt."

"Over de zin en de draagwijdte van die thematiek valt dus nog heel wat te onderzoeken." JV

"Wat na de dood komt, blijft voor de meeste mensen een belangrijke vraag. "

"Het klinkt cool als je kunt zeggen dat je er sinds je puberteit helemaal uit bent en dat de dood het einde is."
"Paulus heeft gelijk, zonder verrijzenis is het geloof leeg.
Maar wie wil geloven heeft verduiveld weinig in handen."

"Misschien verrijzen we niet. Maar doen we het wel, wat ik hoop, dan helemaal anders dan we denken." RT




Aucun commentaire: